Jarenlang werd het weggezet als een idealistische discussie voor beleidsmakers, open source evangelisten en een handvol digitale puristen. Het ging over afhankelijkheid van Amerikaanse cloudleveranciers, over de risico’s van buitenlandse wetgeving en over de vraag of Europa nog wel baas was over zijn eigen digitale infrastructuur. Voor veel bestuurders bleef het vooral een abstract debat. Interessant voor een conferentie, lastig voor in de praktijk. Totdat de praktijk zich weer eens keihard meldde.

De berichtgeving dat Microsoft gegevens van Nederlandse ambtenaren heeft gedeeld met Amerikaanse autoriteiten, op basis van Amerikaanse wetgeving, is geen incident dat op zichzelf staat. Het is een pijnlijke bevestiging van iets wat we al jaren weten, maar waar overheden en organisaties liever niet te diep naar kijken. Wie zijn digitale fundament bouwt op technologie van een ander, accepteert ook de regels van een ander. En precies daar schuurt het.

De Amerikaanse Cloud Act is juridisch glashelder vanuit Washington bekeken. Amerikaanse technologiebedrijven kunnen worden verplicht gegevens te overhandigen aan Amerikaanse autoriteiten, ook wanneer die data fysiek buiten de Verenigde Staten staat opgeslagen. Voor Europa voelt dat als een directe aantasting van digitale autonomie. Voor bestuurders is het vooral een ongemakkelijke waarheid: de server mag in Nederland staan, maar de juridische sleutel ligt soms ergens anders.

Dat is precies waarom de discussie over digitale soevereiniteit de afgelopen jaren steeds feller is geworden. Niet omdat overheden ineens verliefd zijn geworden op open source of Linux, maar omdat afhankelijkheid inmiddels een strategisch risico is geworden. Data, communicatie, identiteiten, overheidsdiensten, kantoorautomatisering en cloudinfrastructuur draaien grotendeels op Amerikaanse technologie. Dat is niet zomaar softwaregebruik. Dat is systeemafhankelijkheid op nationale schaal.

En daar zit de echte pijn. Het gaat namelijk niet alleen over Microsoft. Het gaat over een digitale overheid die jarenlang efficiëntie, gebruiksgemak en schaalbaarheid boven strategische onafhankelijkheid heeft gezet. Dat was logisch, want Microsoft, Google en Amazon leverden producten die werkten, schaalbaar waren en sneller innoveerden dan Europese alternatieven. Ambtenaren wilden gewoon kunnen mailen, samenwerken, documenten delen en veilig inloggen. IT-afdelingen wilden stabiliteit. Bestuurders wilden voorspelbaarheid. Niemand werd afgerekend op geopolitieke afhankelijkheid, zolang de systemen maar bleven draaien.

Nu zien we de rekening.

Duitsland en Frankrijk hebben dat al langer zien aankomen en experimenteren daarom met alternatieven. In Duitsland zijn verschillende overheden al jaren bezig met Linux-initiatieven en open source werkplekken, al met wisselend succes. München werd ooit wereldnieuws met het LiMux-project, waarbij duizenden werkplekken van Windows naar Linux werden gemigreerd. Dat project werd later deels teruggedraaid, niet omdat Linux technisch per definitie faalde, maar omdat migratie in complexe overheidsomgevingen veel ingewikkelder bleek dan de idealen op papier deden vermoeden. Applicaties sloten niet goed aan, gebruikers misten compatibiliteit, beheer werd complexer en politieke steun bleek grillig.

Frankrijk kiest een vergelijkbare, maar pragmatischer route. De Franse overheid stimuleert open source gebruik al langer en probeert strategische afhankelijkheid van Amerikaanse leveranciers te beperken, zonder zichzelf in één klap los te trekken van de bestaande realiteit. Ook daar blijkt dezelfde les: autonomie is wenselijk, maar overstappen is duur, complex en organisatorisch pijnlijk.

Dat is de nuance die in dit debat vaak ontbreekt. Het is makkelijk om te roepen dat “we gewoon naar Linux moeten”. Dat klinkt daadkrachtig op een podium of in een LinkedIn-post, maar de werkelijkheid is een stuk minder romantisch. Overheden draaien op duizenden applicaties, legacy-systemen, koppelingen, leverancierscontracten en gebruikersprocessen die in tientallen jaren zijn opgebouwd rond dominante platformen zoals Microsoft. Dat trek je niet even uit het stopcontact.

Sterker nog, veel organisaties liggen inmiddels zo diep aan het digitale infuus dat abrupt afkoppelen meer schade kan veroorzaken dan afhankelijk blijven. Documentstandaarden, identity management, integraties, security tooling, compliance frameworks, werkplekbeheer, supportmodellen en cloudarchitecturen zijn vaak volledig verweven met ecosystemen waar geen simpele exit-knop voor bestaat. Digitale soevereiniteit klinkt strategisch, maar in de praktijk betekent het een operatie aan het hart van de digitale overheid.

Daarmee komen we bij het eerlijke deel van het verhaal: Amerikaanse technologie heeft Europa ook enorm veel gebracht. Innovatiekracht, schaalbaarheid, beveiligingsinvesteringen, volwassen cloudplatformen en een ontwikkelsnelheid waar veel Europese alternatieven simpelweg niet tegenop konden. Het is te simpel om deze discussie neer te zetten als “Amerikaanse tech slecht, Europese tech goed”. Zonder die ecosystemen zou een groot deel van de moderne overheid simpelweg minder efficiënt functioneren.

Maar afhankelijkheid heeft altijd een prijs. Eerst merk je daar weinig van. Tot geopolitiek, wetgeving of strategische belangen ineens door je datacenter heen lopen.

Daarom is de roep om Europese wetgeving steeds luider. Niet alleen om achteraf boos te zijn wanneer data onder buitenlandse wetgeving valt, maar om structureel randvoorwaarden te creëren waardoor publieke digitale infrastructuur minder kwetsbaar wordt. Dat vraagt om Europese standaarden, investeringen in open source, verplichtingen rond interoperabiliteit, exit-strategieën voor leveranciers en misschien zelfs wetgeving die overheden dwingt om strategische afhankelijkheden expliciet af te bouwen.

Dat klinkt drastisch, maar de vraag is of Europa nog veel keuze heeft.

Want als dit niet gebeurt, staan we mogelijk aan de vooravond van een veel grotere digitale revolutie. Niet eentje van gadgets of AI-hypes, maar een fundamentele herbouw van digitale infrastructuur. Een Europa dat opnieuw moet nadenken over cloud, werkplekken, identity, dataopslag, softwareontwikkeling en technologische autonomie. Dat is geen softwaremigratie. Dat is een geopolitieke infrastructuurtransitie.

En laten we daar niet naïef over doen: dat kost gigantisch veel geld. Niet miljoenen, maar mogelijk miljarden. Het vraagt kennis die nu versnipperd is. Het vraagt politieke moed die vaak ontbreekt zodra de businesscase ingewikkeld wordt. Het vraagt langdurige investeringen terwijl verkiezingen kortcyclisch zijn. En het vraagt acceptatie dat de weg naar autonomie gepaard gaat met tijdelijke inefficiëntie, weerstand en mislukkingen.

Dat is precies waarom zoveel bestuurders deze discussie liever parkeren. Niet omdat ze het probleem niet zien, maar omdat de oplossing zo ingrijpend is.

Toch wordt niet kiezen inmiddels ook een keuze.

Want iedere keer dat blijkt dat Europese data, Europese processen of Europese overheidsdiensten juridisch beïnvloed kunnen worden door buitenlandse wetgeving, wordt dezelfde vraag opnieuw gesteld: zijn we nog eigenaar van onze digitale infrastructuur, of huren we feitelijk onze digitale overheid van een ander?

Dat is geen ideologische vraag meer. Dat is een strategische vraag geworden.

Misschien moeten we daarom stoppen met het doen alsof digitale soevereiniteit een luxeproject is voor idealisten. Het is geen hobby. Het is risicomanagement op nationale schaal. Alleen moeten we ook eerlijk zijn: de weg eruit is lang, duur en vol ongemakkelijke keuzes.

Maar als Europa nu niets doet, komt er een moment waarop die keuze niet meer vrijwillig is. Dan wordt de digitale revolutie niet gepland, maar afgedwongen. En dat is meestal de duurste manier waarop organisaties ooit leren.


Ontdek meer van IT realiteit

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Posted in , , , , , , , , , , ,

Ontdek meer van IT realiteit

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder